Geschiedenis
De Groninger Meeuw is een oud
Nederlands ras, de heer Houwink beschreef in 1888 al "grofgepelde goud- en
zilverpellen, grote landhoenders" in de provincie Groningen die Meeuwen
werden genoemd.
Een bekende naam van een fokker van Groninger Meeuwen is de heer B.Brouwer, die
met de opbouw van zijn stam rond 1905-1910 begon. Hij zocht zilverpel hennen uit
Groningen uit en kruiste die met een flinke Friese zilverpel haan, hiermee werd
de grondslag gelegd voor zijn stam Groninger Meeuwen. Zijn forse dieren werden
eerst geëxposeerd als Friese Hoenders en later werd op verzoek van de
Nederlandse Hoenderclub, een nieuwe naam gegeven, Groninger Meeuw, mede ter
onderscheiding van de Oost-Friese Meeuw.
De krielen zijn ontstaan bij pogingen om Friese en Brakelkrielen te fokken.
Beschrijving
Er is dus een grote verwantschap met de Oost-Friese Meeuw, de Groninger Meeuw
heeft een fors lichaam met een enigszins opgerichte borst. De ruglengte is wat
kleiner dan die van de Oost-Friese Meeuw maar weer langer dan die van het Friese
Hoen. Een belangrijk verschil is de donkerbruine oogkleur van de Groninger Meeuw
tegenover een roodgele tot roodbruine oogkleur van de Oost-Friese Meeuw en een
oranje oogkleur van de Friese Hoenders.
De kam is enkel, de oren zijn wit en de kinlellen rood van kleur.
De pelling is minder fijn dan de pelling bij de Friese Hoenders.
Het gewicht van de haan is 1,8-2,1 kg, de hen weegt 1,6-1,8 kg.
Bij de krielen weegt de haan 700-800 gram en de hen 600-700 gram.
Kleurslagen
Goud en Zilverpel, bij de krielen ook nog citroenpel
Eigenschappen
Zeer geharde levendige dieren die van een vrije uitloop houden, zij kunnen
ook goed vliegen.
In een ren kunnen zij wel gehouden worden maar die moet dan wel ruim en overdekt
zijn.
De leg is goed, rond de 170 witte eieren per jaar, de hennen worden zelden
broeds maar zijn wel goede kloeken als zij kuikens hebben.
© Joke Osinga
